Het speeljacht was een patserbak: “Vergelijk het met de motorclubs van nu”

30 mei 2022

Het speeljacht was me er eentje. Een chique jacht met een ‘bierhuisje’ voor onderweg, een pronkstuk op het water om indruk te maken op je vrienden en concurrenten. “Vergelijk het speeljacht met de motorclubs van nu”, zegt scheepshistoricus Ab Hoving in dit interview.

Read in English

Wie ons over het speeljacht heeft horen praten, weet inmiddels dat dit schip in meerdere opzichten een innovatief schip is. Zeker op het gebied van het verstevigen van afvalplastic (PET) als bouwmateriaal. Maar in zijn eigen tijd was dit schip ook al een bijzonderheid op zich. Er zijn tal van mooie historische verhalen te vertellen over het speeljacht. En wie kan dat beter dan ‘onze’ scheepshistoricus Ab Hoving?

Ab is voormalig hoofdrestaurator scheepsmodellen van het Rijksmuseum en heeft zijn carrière te danken aan het speeljacht. Althans, aan een lezing over een model ervan, die hem deze baan opleverde. Hij weet dus alles over dit schip en voorziet ons van informatie tijdens de bouw van ons speeljacht, de ‘Dufor’. En dat levert mooie verhalen op! Een interview.

Vertel, wat maakt het speeljacht zo bijzonder?

“Het is een van de eerste plezierjachten uit de maritieme geschiedenis. In het graf van de Egyptische koning Toetanchamon is een afbeelding gevonden van deze koning die op een boot op de Nijl aan het vissen is. In principe is dat natuurlijk ook pleziervaart. Maar toen de Nederlandse handel in Indië op gang kwam en het geld tegen de plinten klotste, werden er voor het eerst in de geschiedenis speciale scheepstypes ontwikkeld die louter en alleen gebouwd werden voor het plezier van de eigenaar.

Schepen waren destijds puur functioneel: voor de handel, visserij en vervoer. ‘Spelevaren’, een dagje varen met familie, vrienden of handelsrelaties op het water, dat was echt nieuw. Een paar van de latere luxere Statenjachten belandden in Engeland. Naar men zegt is het ‘yachting’ (watersport als hobby) waar de Engelsen tegenwoordig nog zo fanatiek in zijn, daaruit voortgekomen. Een beetje onze schuld dus.”

‘Spelevaren’, wat was daar dan zo vernieuwend aan?

“Het schip was gebouwd op snelheid en flexibiliteit. Door een nieuw soort tuigage kon je snel overstag en het was gemaakt om zo eenvoudig mogelijk te bedienen. De ‘heer des huizes’ zal zelf ook wel eens gestuurd hebben. Maar voor het bedienen van dit tuig huurde je in principe een schipper en een knecht in.

Dit ‘roedetuig’ was een innovatieve sprong voor de Nederlanders (zie afbeelding hieronder). In plaats van masten had het twee ‘roedes’, schuinstaande, dunnere ra’s. Men vermoedt dat dit in zwang kwam na de eerste tochten van de Nederlanders in Azië. Vermoedelijk afgekeken van de Vietnamezen: die gebruiken dit namelijk toen al op hun schepen. Toen in Nederland in de 17e eeuw die enorme welvaartsgroei kwam, lieten rijke kooplieden thuis hun schepen bouwen op deze manier.”

Model van een speeljacht (Ab Hoving)

Wat deden die kooplieden aan boord? Beetje zitten, biertje erbij?

“Varen, lekker eten, ontspannen; het was echt een uitje met familie of vrienden. Nicolaes Witsen (schrijver en VOC-bewindsman) schreef inderdaad al over een ‘bierhuisje’ onder het achterdekje. Hij doet daar verder geen mededelingen over, maar de functie lijkt me duidelijk. Net als tegenwoordig werd er op het water ook toen al flink ingenomen.

Maar het varen was ook een beetje een show-off: er werden wedstrijden gehouden met speeljachten. Op een bekend schilderij van Het Scheepvaartmuseum ligt een hele vloot van speeljachten rijendik bij de Stadsherberg in de Amsterdamse haven: alle patserbakken op een rij. Vergelijk het met motorclubs van nu. Ze verzamelden zich bij elkaar om te pronken met hun schip en samen te varen. Maar het zal ook gebruikt zijn geweest om relaties mee te nemen om indruk te maken.”

De ‘motorclub’: rijendik geparkeerde Speeljachten voor de Amsterdamse herberg

Het speeljacht was dus een soort patserbak, een pronkstuk.

“Zeker. Dat zie je ook aan het siersnijwerk op modellen en goed bewaarde scheepswrakken. Maar Nederland was een calvinistisch land, dus daar moest je voorzichtig zijn. Duidelijk maken dat het je goed ging, maar het niet overdrijven. Het snijwerk bestond vooral uit familiewapens op de spiegel en de boeg. Van die wapens met een boompje erop en twee engeltjes die dat vasthouden. Chique, maar niet protserig.

Laatst vond ik op internet een scheepsmodel van een afschuwelijk speeljacht met zó veel snijwerk, dat het bijna niet Nederlands kon zijn. Duits, zo bleek. Een Nederlands schip had bijvoorbeeld een boegbeeld met een leeuwtje erop, eenvoudig en terughoudend vormgegeven. Maar die Duitse had een enorm paard met een kerel in een harnas erop. Geen denken aan dat dat een Nederlander dat op zijn schip zou zetten. Deze man zou als een ‘nieuw geld’ worden afgedaan: die snapt het niet.”

Wat voor snijwerk past volgens jou bij onze Dufor?

“Je kunt natuurlijk voor de gemakkelijke vorm gaan en een wapen van Hoorn erop zetten. Maar dat is te makkelijk. Jullie project heeft een missie, het materiaal is innovatief en het heeft een maatschappelijke waarde door de mensen waar jullie ze mee bouwen. Ik zou zeggen: probeer dit soort thema’s te vertalen in beeld en combineer die met de symboliek van toen. Er is vast een beeldend kunstenaar of vrijwilliger die dat kan maken. Maar het is wel belangrijk om binnen het hoefijzervormig kader van de achtersteven te blijven: houd het clean. Anders wordt het al snel zo’n Duits schip.”

Hoe begeleid je Edwin bij de bouw van ons speeljacht?

“Ik heb verschillende replicaprojecten begeleid en ik hou me altijd verre van beslissingen. Maar ik denk graag mee vanuit de visie van de scheepsbouwers van toen en geef informatie om dicht bij de historische scheepsbouw te blijven. Een dilemma dat bijvoorbeeld naar boven komt: als je een ander materiaal gebruikt, krijg je andere bevestigingsconstructies. Hoe ver wijk je dan af van de traditionele technieken?

Als je twee stukken hout aan elkaar bevestigt, dan breeuw je ze om het waterdicht te maken. Bij afvalplastic last Edwin zo’n verbinding tussen twee planken dicht: “Kan dat wel?” Historisch gezien heb ik daar geen moeite mee. Scheepsbouwtechnieken en materialen veranderen nou eenmaal over de jaren. Als het loopt als een eend en kwaakt als een eend, dan is het een eend. Zo is het ook met dit schip.”

Hoe kijk jij vanuit je expertise aan tegen dit experiment?

“Ik vind het buitengewoon! Een schip bouwen van afvalplastic past bovendien helemaal bij de 17e eeuw: toen was alles circulair. Men gooide niets weg. Kleding werd helemaal opgedragen en van oude vodden maakte men papier. Wervels van walvissen gebruikte men om een straatje mee te plaveien. Bovendien spreekt het mij als oud-schoolmeester erg aan dat jullie mensen bij het project betrekken die nu aan de zijlijn staan en hen zo weer een toekomstperspectief bieden. Van alle replicaprojecten waarbij ik betrokken ben geweest is dit met afstand de opmerkelijkste.”

SHARE THIS STORY